BASISTEKST “naar een rechtvaardige belastinghervorming?”

BASISTEKST “naar een rechtvaardige belastinghervorming?”

 

Beleidsaanbevelingen LP Boon-Kring                    RECHTVAARDIGE BELASTINGHERVORMING

Basistekst

Voorwoord

Zoals zoveel andere burgers hebben wij met blijde verwachtingen uitgekeken naar de telkens weer aangekondigde belastinghervormingen, weliswaar met een hele hoge dosis  van scepticisme: gaat het niet om de nieuwe kleren van de keizer?

               Gaarne wensen wij u deelachtig te maken aan een aantal overwegingen en voorkeuren voor beleidsopties naar aanleiding van een preferendum dat de LPB-Kring van Brussel gehouden heeft over enkele facetten van de voorgenomen belastinghervormingen ( eerste fase en verdere perspectieven); daarbij hebben we ervoor geopteerd om niet de thema’s te beschouwen die reeds centraal in de publieke belangstelling staan  , of waar de publieke belangstelling en de ruime pers volle aandacht aan geeft – werk moet lonen, met name fiscaal – maar enkele escape routes die aangereikt worden : de vervuiler of het vermogen betaalt, daarbij horen reflecties van sociaal beleid.

Wij hebben ons  gebogen over de voornemens en daarvoor de preferendum-methode gehanteerd waarbij burgers , na een inleiding door deskundige wetenschappers hun voorkeuren hebben geuit over wat hen is voorgelegd. De bigger picture werd geschetst door  Lieven Denys, de vergroening van de fiscaliteit door Christophe Heyndrickx , de belasting van kapitaal door Kevin Spiritus en de reflecties van sociaal beleid door Wim Van Lancker.     

Dit zet ons ertoe aan u enige aanbevelingen voor te leggen .

Doorheen onderstaande tekst zijn, waar gepast, enkele resultaten van het preferendum verwerkt.  

Een ruimere context

  1. Een noot vooraf .

Sinds minstens 2006 , dus een kwart eeuw ruist het van een broodnodige belastinghervorming om reden dat arbeid te zwaar belast wordt ( HRF rapport 2006).

Gaandeweg  gaat de toon nu zo dat meer mensen aan de slag moeten – en dat daarvoor werk moet lonen, met name fiscaal – o.m. om de pensioenen en gezondheidszorgen betaalbaar te houden,  en eigenlijk ook om de slechtste begroting van Europa ( en de te grote staatschuld) te saneren.

Daarbij is het gesternte ongunstig: er zijn inderdaad budgettaire uitdagingen van formaat die op ons afkomen en die niet min zijn;  het crisesmanagement van de overheid  kost veel geld (klimaat, banken, Covid, energie & defensie,  koopkracht, inflatie door kost explosie van energieprijs  en voeding, btw-verlaging en energietoelagen, accijnsperikelen ter compensatie etc

Op korte termijn onder invloed van de vereiste van een orthodoxe begrotingsdiscipline en in het zicht van de verkiezingsmeet worden er thans enkele maatregelen overwogen waardoor arbeid fiscaal meer lonend zou worden gemaakt daarbij verwachtend dat meerwerk tot meer belastingen leidt (terugverdien effect ) en dat  meerwerk ook minder uitkeringen van sociale bescherming impliceert.

 

Het is maar  zeer de vraag of dat zo wel is : is de belasting op arbeid niet so wie so te hoog, en zal dat niet ook zo zijn na de voorgenomen belastinghervorming ?

Wordt de oefening van het verhogen van de belastingvrije som en een belastingschijf samen 3,5 à 4,5 miljard niet in te grote mate gecompenseerd door een verhoging van het BTW tarief van 6 naar 9%. Deze taxshift loopt tegen het broekzak vestzak bezwaar aan en lijkt een Mattheus effect (omgekeerde herverdeling) in zich te dragen .

In absolute bedragen lijkt dit in de eerste fase van de belastinghervorming heel beperkt in het licht van het gehele belastingstelsel : het lijkt oneerbiedig maar alle verhoudingen in acht genomen is eerder sprake van “peanuts” : 1,5 à 1,6 % (3,5  à 4,5 miljard) belastingbesparing op arbeid in een belastingstelsel van 200 à 250 miljard ( waarvan 50 mljrd bedrijfsvoorheffing   en 60 mljrd sociale bijdragen op arbeid ).

De vraag rijst of het uitdelen van “ peanuts”[1] het vertrouwen in de fiscale politiek niet nog meer zal ondermijnen wanneer de kiezer in 2024 in het stemhokje zijn rekeningen bekijkt

 

  1. Het onevenwicht in belastingdruk op de factoren arbeid en kapitaal .

In de LP Boon-Kring te Brussel  hebben we ons gebogen over signalen die aangeven dat ons belastingstelsel bijzonder  onevenwichtig is en op gespannen voet staat met het gelijkheidsbeginsel ( dat specifiek op fiscaal gebied ook grondwettelijke bezegeld is).

Macro-economisch zou grosso-modo  60 % van ons nationaal inkomen ( dat in cijfers het BBP benadert) naar arbeid gaan, d.i. voornamelijk naar 4,9 mln  gezinnen of huishoudens (waarvan nagenoeg de helft éénouder of alleenstaanden). Er zou 40% naar kapitaal gaan ( waarvan het persoonlijk bezit grotendeels geconcentreerd is bij de hoogste inkomensdecielen).

Voor de toekomst verwacht men dat de balans zou tenderen naar 50/50.

De 60% arbeidsinkomen  zou 90% van de totale belasting dragen, en de 40% kapitaalinkomen  hooguit 10%. Arbeid draagt dus de zwaarste collectieve lasten, en kapitaal wordt fiscaal geprivilegieerd?.

Een eerste vraag (V.1) is dus of u het met LPB-K eens bent om te gaan voor een belastinghervorming waarbij alle draagkracht belast wordt conform het gelijkheidsbeginsel ( dus zonder privileges bv voor kapitaal) en het solidariteitsbeginsel ( dat wil dat de sterkste schouders etc):  onder het gelijkheidsbeginsel zou dus kapitaalinkomsten en vermogensverrijking evenwaardig belast moeten worden als inkomen van arbeid, en dus zou de slinger drastisch in de richting van het midden mogen hellen , en zou de belasting op arbeid dus drastisch verlagen.

Acht uw partij  het dan ook wenselijk om de totale belastingdruk op arbeid te herverdelen door de globale druk deels te verschuiven  naar een evenwaardige  belastingdruk op kapitaal,  hetgeen zou kunnen leiden naar een forse verlaging van de belastingdruk op arbeid?

 

  1. Onevenwichten in de belastingmix.

Op de tweede plaats leren we daarbij dat de 90% van de totale druk die op arbeid rust,  ruw geschat   voor één derde de personenbelasting ( minus roerende en onroerende voorheffing (RV & OV) die kapitaalbelastingen zijn) , voor één derde de rechtstreekse sociale bijdragen ( werkgevers en werknemers) en voor één derde de zgn. indirecte belastingen omvatten . Deze laatste betreffen de consumptiebelastingen  zoals btw  en accijnzen en de kleinere familiale transactiebelastingen; dit zijn toch wel belastingen die “indirect drukken” op inkomsten uit  arbeid via de uitgaven in het huishoudbudget of het persoonlijk rechtsverkeer en worden dus samen met de twee directe arbeidsbelastingen ( bedrijfsvoorheffing (BV) en sociale bijdragen (RSZ))  indirect doch grotendeels “gedragen” door de inkomsten van arbeid.[2]

Als  kwestie is daarbij gerezen of de belastingmix waarbij de 90% van de totale belasting voor 2/3 rechtstreeks op arbeid drukt en 1/3 indirect op de uitgaven van het huishoudbudget dat grotendeels met arbeidsinkomsten ( incl. ervan afgeleide) worden gespijsd, in verhouding tot de draagkracht staat, en of het draagkrachtbeginsel dat onevenwicht wel verdraagt.

De vraag (V.2) rijst dus of ook  uw partij met de LPB-K  de overtuiging deelt , dat een groot deel van het nationaal inkomen en dus  draagkracht, onbelast of onderbelast is , in tegenstelling tot  het verhoudingsgewijs overbelaste arbeidsdeel ?

En dat alleen de inkomsten van wie  werkt  worden aangesproken om aan de ongelijkheid te verhelpen middels de herverdelende takken van de sociale zekerheid  en niet evenzeer (of meer ) wie grote rijkdom of  kapitaalinkomen  heeft weten te verzamelen ?

  1. Op de derde plaats moet de LPB-K , met velen vaststellen dat ook ( micro-economisch) de individueel belastingdruk op arbeid an sich erg hoog is , al is er geen objectieve maatstaf om “te hoog” te meten , zeker niet wanneer de EU-ranking en de voordelen van de welvaartmaatschappij met zijn sociale zekerheid ( sociale bescherming in contante uitkeringen[3]) gezondheidszorg en onderwijs rekening gehouden wordt[4]. Toch blijven enkele onevenwichten niet te miskennen:
  • De sociale zekerheidsbijdragen staan voor ongeveer 30% [5].Deze worden al geheven vooraleer de belastingvrije som een schijf inkomen vrijstelt van personenbelasting ( thans nog 9.000€ netto na rsz); er is dus eigenlijk veelal geen echte belastingvrije som.
  • Boven de zgn belastingvrije som wordt een marginaal personenbelastingtarief van 25% à 50% geheven ( snel beginnend en stijl opklimmend )[6] en dat brengt samen met de sociale bijdragen de belasting op 48,2 à 60% ;
  • op hetgeen rest wordt dan over de huishouduitgaven btw geheven van 6 à 21%,  terwijl  over hetgeen financieel gespaard ( gekapitaliseerd) wordt maar een veelal eerder relatief geringe  belasting geheven .

Tot de belastbare materie worden veelal niet gerekend, of van belasting grotendeels vrijgesteld,   de subsidies ( bv premies voor zonnepanelen, isolatie etc ) en de sociale toeslagen , noch de fiscaal aftrekbare voordelen  en   belastinguitgaven waarvoor vaak een Mattheuseffect intreedt ( cfr infra pt.6).

  1. De kwestie van het onevenwicht in ons belastingstelsel klemt des te meer omdat slechts 1/3 rechtstreekse arbeidsbelasting ( de Bedrijfsvoorheffing) , die trouwens nagenoeg één vierde van de totale belasting bedraagt, en sterk progressief  wordt geheven ( met marginale tarieven 25 à 50%,[7] na 30% sociale bijdragen- in ‘de’ privé)   en de andere 2/3 belastingen slechts  tegen vlakke ( veelal regressief werkende) tarieven ( de sociale bijdragen , btw e.a. indirecte heffingen), zoals dat ook veelal het geval is met in vergelijking veel beperktere  belastingen op kapitaal ( RV,OV,Vennootschapsbelasting( Ven.B)), zodat nagenoeg voor 75% van onze totale belastingheffing en ook  in de overall  belastingmix zelf,  het draagkrachtbeginsel ( de sterkste schouders etc) niet wordt gehonoreerd.  
  2. Bovendien komt het ons voor dat het beeld van de draagkracht , d.i.  het netto belastbaar inkomen  dat de grondslag zou moeten zijn voor  de belastingheffing , veelal “gefilterd” of “vertroebeld” is door de vele weinig transparante vrijstellingen , verminderingen , aftrekposten, soms wel eens “koterijen” genoemd; dergelijke  uithollingen  van de belastbare materie of van de tariefprogressie zonder redelijke verantwoording in het licht van de doelstelling van de belasting, kunnen  de toets van het grondwettelijk verbod op fiscale privileges nauwelijks doorstaan.

Bovendien komen fiscale tegemoetkomingen door de abstracte toekenning via de belastingbrief en gebrek aan selectiviteit , niet daadwerkelijk toe aan mensen in armoede die geen belasting ( kunnen) betalen en dus zeker ook niet belasting besparen .

  1. Bij het beschouwen van deze onevenwichten en miskenningen van de basisbeginselen van een rechtvaardige belastingheffing ( gelijkheid en naar draagkracht) komt de LPB-K tot enkele inzichten waarvan wij graag vernemen (vragen (V3)e.v.) of ook uw partij deze inzichten deelt; daarbij wordt erop aangedrongen dat bij het hervormen van het belastingstelsel opties van sociaal fiscaal beleid gelicht dienen te worden zoals het heffen van sociale bijdragen zoals belastingen doch  het toekennen van de sociale tegemoetkomingen in contanten buiten de belastingbrief om,  kortom het sociaal beleid te voeren overeenkomstig het universaliteitsbeginsel.
    • LPB-K komt tot het inzicht en verneemt graag hierover  uw standpunt (V4) dat het solidariteits beginsel ( sterkste schouders)  en het  gelijkheidsbeginsel  (zonder privileges) uitdrukking moeten vinden in de integrale belastingmix  van directe en indirecte belastingen  en sociale bijdragen.

De gelijkheids-en draagkrachtbeginselen ( verbod van  privileges , en “de sterkste schouders etc.”) vergen dat  bij nagenoeg alle heffingen ( andere dan ter financiering van specifieke en selectieve doelen die buiten de globale budgettering horen te staan) , zoveel mogelijk met alle koopkracht op gelijke wijze rekening gehouden wordt.

Deze beginselen vergen dat voor het bepalen van de draagkracht ten behoeve van de progressiviteit  in de belastingheffing, én de degressiviteit in de uitkering als  maatstaf gehanteerd wordt elke economische verrijking ( m.i.v. de met gemeenschapsmiddelen bekostigde financiële inkomsten) of elke relevante transactie ( of  bij vermogensbelastingen elk waardeerbaar vermogensbestanddeel)  ongeacht het bevoegdheidsniveau van de respectievelijke  overheden.

Bent u het met ons eens (V5) dat ook inkomsten uit kapitaal met inbegrip van kapitaal winsten ( en verliezen) tot de belastbare materie zouden behoren, ook ter financiering van sociale bescherming (universaliteitsbeginsel).

De zelfde vraag (V6) rijst m.b.t. inkomsten van zelfstandige aktiviteiten, al of niet georganiseerd in persoonlijke vennootschapsvormen. Mede in het licht van gelijkheidsbeginsel en het solidariteitsbeginsel zal dit impliceren dat zelfstandigen sociale bijdrage betalen vergelijkbaar met de sociale bijdragen  verricht voor werknemers,  en dat hetzelfde geldt voor ambtenaren,  ook langs uitkeringszijde .

7.1.2     Een beleidsvoorstel om de financiering van de sociale zekerheid te herdenken onder meer door de gezondheidszorg niet langer te financieren op basis van sociale bijdragen kon in ons preferendum slechts de voorkeur wegdragen van 43 %, terwijl meer dan een derde ( 36%) in het ongewisse bleef en 21% het er niet mee eens was.

De vraag (V7)  breder opengetrokken, is dus  of uw partij het met ons eens is om de financiering van de sociale zekerheid te herdenken en de sociale bijdragen te heffen zoals belastingen ( nl. op alle draagkracht gelijk en tegen een progressief tarief, i.e. te fiscaliseren).

Hierop verder gaand rijzen de vragen  (V8) of uw partij  het met ons raadzaam acht  dat bij de financiering van de sociale zekerheid inkomsten uit kapitaal een evenwaardige  bijdrageplicht dienen te ondergaan als inkomsten van arbeid.

Een beleidsvoorstel voor een verbreding van de bijdragebasis voor de financiering van de sociale zekerheid, met in het bijzonder een grotere rol voor kapitaalinkomsten kon in ons preferendum de voorkeur wegdragen van meer dan 71% terwijl nagenoeg 15 % geen mening had en nagenoeg  15 % afwijzend was.

Het beleidsvoorstel dat hoge vermogens ook progressief belast zouden worden droeg in ons preferendum de instemming weg van 85% terwijl 15% er zich niet kon in vinden.

Onze  vraag (V9) is dus of uw partij het met ons eens is om hoge vermogens ook progressief te belasten.

7.1.3     Acht uw partij (V10) het met ons raadzaam , meer in het algemeen , ook het ( vnl sociale )[8] uitgavenbeleid (in contante individuele financiële tegemoetkomingen) in de belastinghervorming te betrekken ten einde het draagkracht beginsel overall te honoreren? Draagkracht dient alsdan niet alleen gemeten te worden aan heffingszijde doch evenzeer aan tegemoetkomingskant , waarbij de tegemoetkoming , zowel in contante transfers als in belastingvoordelen,  op het moment van uitkering getoetst moet worden aan de bijdragekant.

Ruimer opengetrokken rijst de vraag of uw partij het met de LPB-kring eens is dat de individuele belastingen en bijdragen (aan de algemene middelen van de  schatkist ten behoeve van de kerntaken van de overheid waartoe ook het onderwijs wordt gerekend , en  aan de sociale zekerheid ( sociale bescherming en gezondheidszorg),  een beleid vergen dat getuigt van een holistische , coherent visie zowel aan de heffingszijde ( overall draagkracht en geïntegreerde tariefprogressie) als aan de uitkeringszijde ( overall noden  en geïntegreerde degressiviteit).

7.2  Een rechtvaardiger belastinghervorming dient ons inziens  dus erop gericht te zijn om niet alleen een overall verbreden van de belastbare grondslag naar alle onbelaste inkomsten en draagkracht na te streven doch evenzeer een overall tariefprogressie door de belastingmix heen.

LPB-K komt tot het inzicht  en verneemt graag hierover  uw standpunt (V 11) dat het wenselijk is dat de tarieven van bedrijfsvoorheffing en sociale bijdragen, én van  indirecte belastingen[9]  qua tariefprogressie over de gehele belastingmix heen geharmoniseerd en geïntegreerd worden.

Het progressiviteitsbeginsel (als emanatie van het solidariteitsbeginsel /draagkrachtbeginsel/ Sterkste Schouders )  vergt dat de tariefprogressie geïntegreerd bepaald wordt (dwz rekening houdend met de progressie doorheen de gehele belastingmix ). Tevens  vergt dit een universaliteitsbenadering (d.i. overeenkomstig het fiscale universaliteitsbeginsel dat alle belastinginkomsten aangewend worden voor alle financiële uitkeringen).

Zo zouden in een eerste fase de sociale bijdragen kunnen verwerkt worden als belastingkrediet in de belasting op arbeid ( i.p.v. een aftrek); hetzelfde is doenbaar met indirecte belastingen ( waar passend eventueel gespreid)  en bij ontbreken van precieze gegevens ( bv in de btw)  een forfaitair belasting geraamd op basis van het gemiddelde huishoudbudget ( bv per inkomstendeciel).

Acht uw partij het met de LPB-K wenselijk (V12) alvast in  de btw en andere indirecte productbelastingen,  een meervoudiger tarificatie te ontwikkelen ( eerder dan btw tarieven te fuseren) en de notie van luxe taxen en andere specifieke taxen (opnieuw) met aan de draagkracht aangepaste aparte tarieven in te voeren.

7.3 Fiscaliseren van bijdragen en defiscaliseren van uitgaven faciliteert het Universaliseren van de sociale bescherming. 

De Covid -pandemie leerde ons dat maatschappelijk verwacht werd , en beleidsmatig verantwoord werd  dat het streven naar een universele sociale bescherming  wenselijk is ( werkloosheidsuitkeringen niet alleen tbv werknemers maar ook dito tegemoetkomingen voor ondernemers) zoals  grotendeels reeds  gerealiseerd is in de gezondheidszorg en het onderwijssysteem.

Acht uw partij (V13) het met ons raadzaam dat gezondheidszorg en sociale inkomensbescherming (zoals onderwijs) universeel dienen toegekend te worden, gefiscaliseerd gefinancierd ( vgl in NL de volksverzekeringen).

Logisch is dat dan ook de vraag (V14) naar een gegarandeerd basisinkomen voor al wie onvrijwillig in armoede of kwetsbaarheid verzeilt.

  • Een gedefiscaliseerd uitkeringsbeleid vergt dat sociale uitkeringen (ter beteugeling van kwetsbaarheid en armoede, of ter ondersteuning in geëigende omstandigheden van te lenigen noden , of als vangnet om risico’s maatschappelijk op te vangen ) getoetst worden aan de finaliteit van de maatregel en de concrete omstandigheden.

Sociale uitkeringen voor wie en in de mate deze het meest nodig is, vergen een progressie (degressie) coherent geïntegreerd met verschuldigde belastingen en maatschappelijke bijdragen.

Selectiviteit in de toekenning  pleit ervoor om financiële tegemoetkomingen direct en concreet in contanten toe te kennen eerder dan via abstracte verrekening van de tegemoetkoming via de belastingaangifte en in functie  van reeds betaalde belastingen,  m.a.w. defiscalisering van belastinguitgaven.

Een goede sociale toets leent zich niet voor blind automatisme .

Verwerken via de belastingaangifte vergt bovendien een tijdsverloop ( en dus vaak een voorfinanciering) terwijl toekenningen in contanten toelaten een nood direct  te lenigen rekening houdend met de overall draagkracht ( progressiviteit of degressiviteit) .

Eén en ander  verhoogt de transparantie ( en accountability) van het beleid  en de begrijpelijkheid van het stelsel.

Het beleidsvoorstel om de middelen van de fiscale voordelen voor kinderen over te hevelen naar de kinderbijslagen  en naar de kinderopvang ( hetgeen wij lezen  als de fiscale aftrekken of verminderingen, vervangen door uitkeringen en subsidies in contanten ) werd in ons preferendum slechts door iets meer dan een derde onderschreven , bijna een derde liet het in het midden en iets meer dan een  derde was het ermee oneens .

De vraag (V15)  breder opengetrokken, is dus of uw partij het met de LPB-K  wenselijk acht om  de sociale tegemoetkomingen ( in het kader van de sociale bescherming) en de herverdeling van rijkdom (via belastingen en bijdragen om maatschappelijke noden te lenigen en armoede te beteugelen) niet via de abstracte algemene fiscale afrekeningen te realiseren, maar in selectieve contante transfers ( defiscaliseren) m.a.w. een beleid om het tijdrovend toekennen van fiscale voordelen (belastinguitgaven) te vervangen door selectieve uitkeringen en subsidies onmiddellijk  in contanten.

Hoewel een verminderde product belasting of een vrijstelling meteen aan de bron de voorkeur geniet (doch slechts passend is ten belopen van hetgeen als noodzakelijk te beschouwen basisbehoefte kan aangemerkt worden),  acht u het met de LPB-K  raadzaam (V16) om én gelijkheid op de markt te betrachten én op selectieve wijze contante individuele financiële tegemoetkomingen ter sociale compensatie toe te kennen?

 

Kortom, gaarne vernemen we de visie van uw partij over bovenstaande overwegingen van fiscalisering van bijdragen , defiscalisering van de belastinguitgaven tot contante uitkeringen, beide in een holistische geintegreerde benadering van overall draagkrachtmeting en overall tariefprogressiviteit, met universalisering van de sociale zekerheid.   

 

DE TWEE THEMA’S

Soms wordt aangevoerd dat een deel van de belastingdruk op arbeid kan verschoven worden naar milieubelastingen of naar kapitaal belastingen.

MILIEUBELASTINGEN  

  1. Vooreerst is er de spanning tussen milieubelastingen als gedragssturing ( hetgeen, indien succesvol , niet duurzaam is) en in deze als alternatieve financiering voor te hoge belastingdruk op arbeid dus mogelijks eveneens niet duurzaam ; een heffing  middels productbelastingen op huishouduitgaven, lijkt eerder een broekzak-vestzak operatie in de mate dat de hogere productbelastingen betaald worden met uitgespaarde belasting uit arbeid. Bovendien strijdt een flat-rated productbelasting vaak met het progressiviteitsbeginsel ( door de inherente degressiviteit) , met risico van het Mattheuseffect ( doordat laag belaste personen of kwetsbare gezinnen door flat-rated productheffingen bijdragen aan het verlagen van de progressieve arbeidsbelasting van hogere inkomsten).

Bovendien zou de eigen roeping van milieubelastingen eerder meebrengen dat externe kosten ( bv gezondheidszorg, milieuschade) in de productprijs worden geinternaliseerd.  Rest dan de  vraag hoeveel ruimte er dan nog is om nog hogere heffingen op te leggen  ten laste van (huishoud)producten ter compensatie van de verlaging van de belasting op arbeid,  en of dat in wezen geen broekzak vestzakoperatie is omdat het huishoud geld veelal is geput uit de inkomsten van arbeid na directe belasting.

 

  1. De internalisatie van milieu en andere maatschappelijke kosten in de kostprijs van producten

zouden dus eigenlijk een belasting verhoging an zich moeten veroorzaken; transparantie over de aanwending ervan (vaak een vereiste voor het draagvlak voor een milieuheffing ) kan zinvol gerealiseerd worden door de heffing toe te wijzen aan een Fonds los van de gewone begroting (een Dedicated Fund)  voor gezondheidszorg en een dito Fonds  voor milieuherstel en  klimaattransitie.

 

Vaak wordt in deze context sociale correcties aanbevolen door  een deel van de sturende heffing aan te wenden ter compensatie van degene die niet beschikt over voldoende financiële middelen om de duurdere producten aan te schaffen bv wanneer die als levensnoodzakelijk zijn aan te merken.

 

  1. Ons is er in het preferendum door de inleider onder meer op gewezen :

dat de huidige belastingen op koolstof onvoldoende zijn om de maatschappelijke kost ( milieu- en gezondheidsschade en overheidskosten) ervan [in de prijs van de producten] te internaliseren. Volgens de Europese investeringsbank is de maatschappelijke sociale kost van het verbruik van koolstof ( de CO2-voetafdruk ) enorm  : 250€ per ton tegen 2030.

België heft hoge accijnzen op diesel ( doch subsidieert de transportsector met teruggaves) en lage accijnzen op stookolie en kerosine ( internationale luchtvaart) en middelmatig op benzine,  terwijl het om dezelfde emissies gaat. Ook elektriciteit is laag belast. 50% van de brandstof wordt niet belast ( bv gas, kerosine etc  ) . Verwarming wordt lager belast omwille van de sociale noodzaak. Bovendien “internaliseert” de koolstoftaks niet alle maatschappelijke kosten: bv elektrische auto’s vergen toch forse publieke ( wegen) infrastructuur en  veroorzaken ook gezondheidskosten ( bv door ongevallen).

De energiecrisis heeft de bewindslieden ertoe gebracht [de btw en] de accijnslasten te verlagen (niet geïndexeerd). Voor een correcte beprijzing van koolstof ( 250€ per ton) zou thans geen politiek draagvlak zijn. De recente forse gasprijsstijgingen zijn vergelijkbaar  met een koolstofheffing van 500 à 700 € per ton, extremer dan eender welke belasting had kunnen zijn.

Het overheidsingrijpen was onbegrijpelijk: met btw- en accijnsverlagingen is een put gegraven van 2,5 mljrd waarmee men zich heeft vastgereden. De burger verliest drie keer: de energieprijs was te hoog en vloeide weg naar het buitenland terwijl  een koolstofheffing een overheidsbeleid had mogelijk gemaakt die de maatschappelijk kost had kunnen helpen bestrijden; de overheid financiert zich met schulden op de toekomst en de klimaatschuld neemt toe.

Hierbij werd opgemerkt dat de opbrengsten ( vd hogere BTW) ook best gebruikt konden worden om tijdelijke compensaties te voorzien voor kwetsbare gezinnen waarmee deze ook de transitie zouden kunnen maken.

 Brandstof-subsidies ( = negatieve belastingen of “belastinguitgaven”) dienen afgebouwd. Veel kosten die nu in de elektriciteitsfactuur zijn verstopt en verkeerd worden aangerekend, kunnen naar de gasfactuur verschoven worden: dat maakt een transitie naar elektrische opties financieel haalbaarder voor de burger. Een goede aanvulling zou een verstandige kilometerheffing kunnen zijn waarmee zowel de bronnen als de schadelijke  gevolgen van de nefaste verkeerscongestie ( ook met elektrische auto’s)  aangepakt kan worden.”

 

  1. In onze preferendum discussie is naar voor gekomen dat dat de huidige accijnsbelastingen ontoereikend zijn (zoals een groot aantal experten het voor 78% ontoereikend achtten zoals blijkt uit een rapport van juni 2022 voor de FOD Financiën ) en dat de prijs van accijns producten ver beneden de externe kosten liggen.

De vraag (V17) is of uw partij het met ons eens is om eraan mee te werken dat  de koolstof emissie extra wordt  belast om de EU doelstellingen 2030 na te streven door de koolstofbelasting op te trekken van de thans iets meer dan €100 naar de €250 per ton en zo nodig naar 525€ in 2040 en 800€ in 2050 ?

  1. Met het beleidsvoorstel –  het invoeren van een algemene belasting op koolstofinhoud van fossiele brandstoffen (internaliseren van maatschappelijke milieu e.a. kosten; onevenwicht in accijnzen) – bleek in ons preferendum een  kleine twee derden meerderheid het eens te zijn ( waarvan een ruime meerderheid  het wel ‘helemaal mee eens’ was). Toch bleef  een belangrijk deel in het ongewisse ( 25 à 30%) of tegen ( een 14 à 18%). Het voorstel van correcties op zo’n koolstofheffing voor de sectoren die onder  de EU emissie handel vallen kreeg bijval ( bijna de helft).

Dat een niet onbelangrijk deel eerder in het ongewisse bleef kan mogelijks terug te brengen zijn tot de reflectie dat een CO2 heffing geen stabiele belastingopbrengsten oplevert want bedoeld is als gedragsturing , hetgeen geroepen is , indien succesvol, om te verdwijnen.

De vraag (V18) is dus of uw partij het met ons eens is om eraan mee te werken dat  de koolstof emissie extra wordt  belast om de EU doelstellingen 2030 na te streven door de koolstofbelasting op te trekken van de thans iets meer dan €100 naar de €250 per ton en zo nodig op langere termijn naar 525€ in 2040  en 800 € in 2050?

  1. Het beleidsvoorstel voor een snelle afbouw van subsidies mbt fossiele brandstoffen kon in ons  preferendum rekenen op  grote bijval ( 85% waarvan de overgrote meerderheid het ‘helemaal mee eens’ was, en een minder dan 15%  in het ongewisse bleef of eerder oneens).

De vraag (V19) is dus of uw partij het met ons eens is om mee te werken aan een snelle afbouw van subsidies mbt  fossiele brandstoffen.

De vraag (V20) is verder  of uw partij het met ons eens is om eraan mee te werken om  de btw – reductie op fossiele brandstoffen ASAP te compenseren door accijnzen en dat deze voldoende hoog moeten zijn om zoveel mogelijk alle maatschappelijke kosten en milieuschade in de prijs te incorporeren en de opbrengst ervan transparant te besteden en middels geëigende milieufondsen en gezondheidsfondsen. Dat ook hernieuwbare energie , hoe wenselijk de transitie ook mogen zijn,  accijnsgewijs haar fair share  hoort bij te dragen.

  1. Het beleidsvoorstel om het belastingvoordeel van salariswagens te schrappen of als loon te belasten kreeg in ons preferendum eveneens een grote bijval (85% met een nog forsere meerderheid ‘helemaal mee eens’), en een kleinere minderheid in het ongewisse of geheel oneens).

De vraag (V21) is dus of uw partij het met ons eens is om mee te werken aan het schrappen van elk belastingvoordeel van salariswagens.

  1. Een beleidsvoorstel om de autofiscaliteit te hervormen om meer rekening te houden met de ecologische impact ( bv afmeting / gewicht) van de wagen, (bv maatschappelijke kost van elektrische wagens) kon in ons preferendum rekenen op een overweldigend meerderheid ( 92%).

Onze  vraag (V22)  is dus of uw partij het met ons eens is om eraan mee te werken om de autofiscaliteit te hervormen om meer rekening te houden met de ecologische impact ( bv afmeting / gewicht) van de wagen ( bv ook van een elektrische wagen).

  1. Een beleidsvoorstel wat een kleine  twee derde steun kreeg in ons preferendum ( met een minderheid ‘helemaal mee eens’) was het invoeren van een kilometerheffing. Ook hier bleef een belangrijk deel in het ongewisse ( 25à30%) of eerder afwijzend ( een 10  % ).

Onze  vraag (V23)  is dus of uw partij het met ons eens is om aan het invoeren van een kilometerheffing mee te werken

 

KAPITAALBELASTINGEN  

Belasting op financiële vermogensinkomsten, financiële vermogensactiva en onroerend goed

  1. 17. In het licht van het voorgaande ( cfr pt 2,3 en 7 ) is het een grote logica om de factor kapitaal

evenwaardig te belasten als de factor arbeid. Uiteraard dient hierbij aandacht besteed te worden aan de economische wetmatigheden en de vraag of een verhoging van de belasting op kapitaal niet als een boemerang werkt op de werkgelegenheid doordat het investeringsklimaat als minder aantrekkelijk wordt gezien en onder het vrije kapitaalverkeer belastingvlucht dan voor de hand ligt.

 

Onze vraag (V24) is dus of uw partij het met ons eens is om  een EU/OESO initiatief ter zake te benaarstigen , en het vrije verkeer in EU  te verzoenen en te  harmoniseren met het vrijwaren van het nationaal belastingbeleid?

 

  1. Analoog aan de personenbelasting (bedrijfsvoorheffing) en de sociale zekerheidsbijdragen

hoofdzakelijk op arbeid  en de btw op huishouduitgaven ( veelal gefinancierd uit inkomen uit arbeid),  kan overwogen worden om kapitaalinkomsten te onderwerpen aan sociale zekerheidsbijdragen (voor zover overzienbaar en herleidbaar naar personen in de Belgische sfeer of kapitaal werkzaam in de Belgische economie ) en aan progressieve personenbelasting met verrekenbare OV en RV, alsmede   het kapitaal verkeer ( activa transacties) te onderwerpen aan BTW en beursbelastingen,  uitgebreid  tot volwaardige financiële transactiebelastingen (FTT). Deze laatsten laten bovendien toe het in de Belgische economie werkzame kapitaal gepersonaliseerd en performanter te belasten dan met behulp van een vermogensregister te heffen persoonlijke vermogensbelastingen.

 

Onze vraag (V25) is dus of uw partij het met ons eens is om de financiële sector ( en kapitaalverkeer) op te nemen in het Europese btw-systeem en voorgestelde FTT.

 

 

  1. Ons is er in het preferendum door de inleider onder meer op gewezen:

 

“dat om belastingontwijking te voorkomen alle kapitaal fiscaal gelijk behandeld moet worden. Ongelijke fiscale behandeling stuurt investeringen niet altijd naar de meeste maatschappelijke meerwaarde en is vragen naar lobby-beïnvloeding, wat economisch niet het meest verantwoord is en herverdeling verhindert: rijken worden rijker.

Sparen gebeurt veelal met reeds belast arbeidsinkomen : is sparen belasten dan niet dubbelop?

Belasten naar koopkracht impliceert dat zowel koopkracht uit arbeidsinkomen als uit inkomen van sparen gelijk belast wordt , met dus hetzelfde effect op koopkracht. Hetzelfde geldt voor het effect op het arbeidsaanbod dat gelijk is ongeacht of spaarinkomen of arbeidsinkomen wordt belast. Belasten van arbeidsinkomen heeft geen ontmoedigend effect; belasting op kapitaalinkomen en op sparen ontmoedigt wel het sparen ( uitgesteld consumeren);  op zich lijkt het dus beter om kapitaalinkomen niet te belasten. Er is echter   een consensus om kapitaalinkomen wel te belasten doch niet gelijk als arbeidsinkomen. Maar een te groot verschil (in tarief; bv een dual income tax)  tussen arbeidsinkomen en kapitaalinkomen zet mensen ertoe aan ( bv via ver-vennootschappelijking ) hun hoog belast arbeidsinkomen om te zetten in laag belast  kapitaalinkomen.

Bij kapitaalinkomen wordt een onderscheid in drie componenten gemaakt: vooreerst een zgn risicovrij rente,  doorgaans vrij laag en a.h.w. een beloning voor geduld ( niets doen, een  uitstel van consumptie ). Vervolgens is er een risicopremie waarbij men het  risico neemt op termijn verlies te lijden  maar mogelijks daarvoor ook een kans heeft een hoger resultaat te zullen  behalen ( geluk of pech). Tenslotte is er de component van het onverdiende kapitaalinkomen  (een meevaller, een externe factor bv van waardestijging waar men zelf geen inspanning heeft moeten voor doen). Om het sparen met risicovrije component , en daarmede ook de investeringen, niet te ontmoedigen wordt het beter  laag ( of niet) belast (ook arbeidsinkomen kent een belastingvrije som en een laag tarief aan de voet van de  progressie); de twee andere componenten, die niet te onderscheiden zijn , kunnen als bijkomend kapitaalinkomen meer belast worden  bv progressief samen met, en als arbeidsinkomen.  De economie ondervindt van die hogere belasting minder hinder.  Om belastingontduiking te vermijden is dan wel een vermogenskadaster geboden, alsook het counteren  ver-vennootschappelijking. Ook het heffen van sociale premies op bijkomend kapitaalinkomen voorkomt ontwijking onder de vorm van ver-vennootschappelijking.

Wat de belasting van het kapitaal as such betreft, ziet de inleider weinig sterke argumenten om gewoon verdiend of gespaard vermogen extra te belasten bij leven . Dat geldt minder voor geërfd vermogen ; een erfbelasting bevordert gelijke kansen door het herverdelend effect. Heel hoge vermogens belasten kan dan wel  weer eventuele bedreigingen voor de democratie tegengaan.”

  1. Met het beleidsvoorstel om een eerste basisrendement (vb. 1%) van kapitaalinkomsten onbelast laten (zoals een eerste schijf arbeidsinkomsten) en het rendement daarboven te belasten zoals / samen met arbeidsinkomsten (progressief) was in ons preferendum een grote meerderheid ( van 93%) het eens en slechts een klein percentage van 7 % helemaal oneens.

Onze  vraag (V26) is dus of uw partij het met ons eens is om een eerste basisrendement (vb. 1%) van kapitaalinkomsten onbelast laten (zoals een eerste schijf arbeidsinkomsten) en het rendement daarboven te belasten zoals / samen met arbeidsinkomsten (progressief).

  1. Met het beleidsvoorstel om het hogere rendement van kapitaalinkomsten ook aan de sociale bijdragen te onderwerpen kon in ons preferendum twee derden het ermee eens zijn , 20% had geen mening en 15 % was het geheel niet mee eens.

Onze  vraag (V27)  is dus of uw partij het met ons eens is om het hogere rendement van kapitaalinkomsten ook aan de sociale bijdragen te onderwerpen.

  1. De onroerende voorheffing, een  jaarlijkse onroerend goed belasting is in wezen een vermogensbelasting;  gelijk behandeling zoals andere vermogensinkomsten en -activa lijkt mede op grond van het gelijkheidsbeginsel geboden. De eigen woning hangt echter vaak nauw samen met de financiële mogelijkheden van een huishoudbudget; huisvesting is een noodzaak, en dus vergt dat een bijzondere fiscale aandacht: een eigen woning bezitten getuigt niet van een koopkracht die courant beschikbaar is, hetgeen dus best tot temporisering van belastingclaims of uitstel  tot realisatie, leidt.

 

  1. 23. Ook staat de politieke wereld voor internationale uitdagingen zoals  een internationale klimaatbescherming, de internationale ontwikkelingssamenwerking en de internationale defensie. In het licht van een belastinghervorming lijkt het ons aangewezen aan het internationale economische verkeer een belastingheffing te koppelen die  met dat internationale verkeer nauw kan samenhangen. Gedacht wordt daarbij aan  het internationale luik van de Financial Transaction Tax  ( bv de Tobintax op wisselkoerstransacties). Het belasten van de financiële sector beoogt het belasten van transacties en financial flow “detached from the real economy”/de reële economie.

 

Onze  vraag (V28) is dus of uw partij het met ons eens is om de inspanningen te steunen van de elf EU-landen in het lopende enhanced cooperation initiatief (Versterkte Samenwerking) voor  een Europese FTT  ?

Acht  uw partij het  passend om daarbij het onderscheid voor te stellen tussen een FTT op internationale transacties en een nationale FTT op puur lokale financiële verrichtingen ( cfr de beursbelasting  maar dan zonder bovengrens t.v.v.  de financiële sector)?

 

 

Reflecties in de marge van de voorgenomen belastinghervorming in een eerste fase.

  1. Ons belastingstelsel wordt als complex en weinig transparant ervaren. Dat ondermijnt bij de burgers het draagvlak en de instemming met de belastingen, “ le consentement à l’impôt”, en  het beginsel “no taxation without representation”, en daarmee “het vertrouwen in de politiek”.

Bij zowat elke  belastinghervorming wordt de ambitie van veréénvoudiging en begrijpelijke fiscaliteit vooropgezet, nu weer door de schrapping van vele codes op aangifte aan te kondigen.

Bent u het met ons eens (V29) dat  de veréénvoudiging , de rechtszekerheid  en de politieke accountability gediend zouden zijn met het opstellen van één robuust , stabiel en duurzaam Fiscaal Wetboek dat in beginsel slechts met een grote parlementaire meerderheid vastgesteld en gewijzigd kan worden en waarbij alleen de tariefzetting bij gewone ( politieke) meerderheid kan bijgesteld worden o.m. in functie van de sociale en budgettaire noodwendigheden?

Bent u het met ons eens (V30)  dat de kenbaarheid van het fiscaal beleid en de accountability zeer gediend worden door bij de jaarlijkse personenbelastingafrekeningen een kort schematisch overzicht te verstrekken van de ontvangen belastingen en sociale bijdragen en de bestemming ervan (zoals de FOD Financiën sinds enkele jaren pleegde te verstreken bij de toelichting van de personen-belastingaangifte laatst onder de noemer “ Waarvoor dienen de belastingen en sociale bijdragen (247,9 miljard €)” doch aangevuld met de even gedetailleerde belastingmix  bv “Welke belastingen en sociale bijdragen worden betaald ”?  Wenselijk is daarbij inzicht te geven in de “verscholen” belastinguitgaven en subsidieregelingen met precisering van de kring van begunstigden ( de zgn. koterijen en de “subsidiestokerijen”) .

  1. Bent u het met ons eens (V31) dat het wenselijk is dat elke burger kan vaststellen wat zijn bijdragen aan de gemeenschap zijn en welke financiële tegemoetkomingen hij ontvangt , a.h.w. een soort jaarlijkse individuele globale rekening-courant waar alle financiële verrichtingen ( ins en outs) met alle overheidsinstellingen in verwerkt worden. In een eerste fase zouden sommige thans moeilijk precies aan te geven individuele bijdragen ( bv btw, accijnzen)  of individuele tegemoetkomingen ( bv gezondheidszorg, onderwijs) bij wijze van forfaitaire,  op de individuele situatie afgestemde  ramingen  op jaargemiddelde kunnen ingebracht worden.
  2. Bent u het met ons eens (V32) dat een dergelijk instrument dienstig kan zijn om de werkelijke globale progressie beter te moduleren bv wanneer de individuele globale rekening-courant vergeleken wordt met de individuele globale draagkracht/koopkracht?
  3. Bent u het met ons eens (V33) dat de gemeenschap er belang bij heeft dat de individuele burger goed geïnformeerd dient te worden over de cijfermatige vertaling van de welvaartmaatschappij , of cijfermatig de gelukkigste mensen wonen in het land met de hoogste belastingen?

Gegeven dat ons land behoort bij de wereldtop van belaste burgers wel klopt waar de EU statistieken ( bv 2020) aanwijzen dat ons land in de rankings van personenbelasting  5de staat, in sociale bijdragen 8ste , in indirecte belastingen 16e, en in btw 22e.  En dat de cijfers aanwijzen dat twee derden van het globale budget naar de welvaartstaat (sociale bescherming , gezondheidszorg en onderwijs) gaan; dat sociale bescherming ( pensioenen, werkeloosheid, ziekte & invaliditeitsuitkeringen, kind & gezin) die een financiële herverdeling, of  transferts in contanten,  behelzen,  één derde van  de  gemeenschappelijke uitgaven ( het globale budget)  belopen, en samen met gezondheidszorg en onderwijs twee derden. En dat de bedrijfsvoorheffing én de sociale bijdragen samen ( de “directe” druk op arbeid in strikte zin) evenveel bedragen als de sociale bescherming plus gezondheidszorg. En dat de financiële herverdelingen en transferts in contanten  ( sociale bescherming plus subsidies) nagenoeg de helft van de gemeenschappelijke uitgaven ( het globale budget) bedragen.

 

[1] If you pay peanuts , you get monkeys

[2]Tot de 10% belastingen, tegen veelal “vlakke” tarieven,  op het 40% kapitaalinkomen  worden gerekend benevens de RV en de OV , de schenkings, erf- en registratiebelastingen , de effectentax, de taks op de beursverrichting, de verzekeringstax  en vreemd genoeg vaak ( en voor het grootste deel van het 10% belasting aandeel) de vennootschapsbelasting,  waaronder echter een belangrijk deel van de belastbare materie ondernemingswinst is.

Ondernemingswinst is doorgaans het resultaat van de combinatie van arbeid en kapitaal waarbij talent of geluk een belangrijke asset is , en waarbij het management veelal een aparte inbreng heeft, en in zekere zin tot de factor arbeid is te rekenen. Opm: zelfstandigen-inkomen is EU-statisch kapitaal inkomen ; en vermoedelijk zijn management- en expertenvennootschappen ondanks hun vervennootschappelijkking tot arbeidsinkomen te reken. Beide fenomenen “flateren” vennootschapsbelastingen in EU statistieken.

Denkbaar is de ondernemingswinstbelasting slechts als kapitaalbelasting aan te merken in de mate dat deze door de aandeelhouders te gelde wordt gemaakt bv uitgekeerd wordt aan aandeelhouders of indirect gerealiseerd wordt door hen bij aandelentransacties van aandelen. In beide gevallen zou de ondernemersbelasting als belastingkrediet kunnen gelden.

[3] Ziekte & invaliditeit, werkloosheid, pensioenen, kind &gezintoeslagen.

[4] NB: Financiering van de Welvaartstaat: Stemt  het belangrijkste deel van de belastingopbrengsten van werk en consumptie niet nagenoeg overeen met wat naar de  SZ gaat? Op een budget van 130 mljrd komt 75 mljrd van sociale bijdragen en 65 mljrd van de algemene belastingmiddelen waarvan slechts 4mljrd RV  uit kapitaal? Van wat rest vd 250 fiscale en sociale bijdragen -130 SZ budget  ( 75 rtstr en 65 algemene  middelen) rest  120 waarvan nog  gaan naar gezondh 36 + onderwijs 30 samen 66 .

[5] ( 25% werkgeversbijdragen bovenop de 100% bruto, 12,5% werknemersbijdragen onder de 100% samen 30% van 125= 87,5 netto ).

[6]  25% vanaf 1560 € pm, 40 % tot  2.380, 45% tot 3.820 en daarboven 50%. 56% ondergaan een geïntegreerd marginaal tarief van meer dan 50% en 35% van meer dan 60%.

[7] waarop via de PB aanslag een zeker gedeelte  als “belastinguitgaven” wordt teruggegeven vooral tvv hogere belastingdecielen (  met soms belangrijke Mattheuseffecten , bv kinderopvang, kinderaftrek, pensioenpremies  met verlaagde tarieven bij pensioenkapitaaluitkeringen etc )

[8] Hiertoe behoren niet selectieve maatregelen van algemeen belang bv het economisch en cultureel subsidiebeleid noch de financiering ervan die een geëigend stelsel, selectiviteit en accountability vergen.

[9]  Zolang dat niet individueel geadministreerd kan worden, kan dit  forfaitair geraamd worden; bij individuele administratie kan met   belastingkredieten gewerkt worden.